Kerstverhaal

59a4e836a195e075a5a59cfc22c908deAls vervolg op mijn vorige blog over de kerstboom is hier een mooi kerstverhaal geschreven door Hans Christiaan Andersen in het oud Hollands hier verteld uit het oude sprookjesboek van mijn oma. En elk jaar ontroerd dit verhaal mij weer en wil dit met jullie delen.

Het Sparreboompje

IN het bosch stond een sparretje, o, zoo’n aardig klein boompje! Het had een goede plaats, zon en lucht zooveel het maar wou en om hem heen stonden een heeleboel groote kameraads, dennen en sparren; maar het sparretje had zoo’n erge haast om te groeien. Het dacht heelemaal niet aan de warme zon en aan de frissche lucht, en ’t gaf ook niets om de kinderen, die er liepen te babbelen als ze boschbessen en frambozen zochten.
Soms hadden ze een heel pannetje vol, of ook wel aardbeien aan een strootje geregen en dan gingen ze bij het boompje zitten en zeiden: ‘Och! wat is het aardig klein!’ En dat kon het boompje nu juist niet uitstaan.

Het volgende jaar was hij een heelen scheut langer, en een jaar daarna was er weer een bijgekomen; want bij een pijnboom kun je altijd tellen aan de scheuten hoeveel jaren hij gegroeid is.
‘Ach, was ik toch maar een groote boom zooals die anderen!’ zuchtte het sparretje, ‘dan kon ik mijn takken zoover uitbreiden en met mijn top de wijde wereld inkijken. De vogels zouden hun nesten bouwen tusschen mijn takken en als de wind er tegen aanblies zou ik net zoo voornaam kunnen knikken als de anderen!’
En het voelde den zonneschijn niet, en het lette niet op de vogels en op de roodgetinte wolkjes, die ’s morgens en ’s avonds er overheen zweefden.
Als het winter was en de sneeuw schitterend wit over alles lag uitgespreid, kwam er soms een haas en sprong recht over het boompje heen. – O, dat was verschrikkelijk! – Maar er gingen twee winters voorbij en toen de derde kwam was het boompje zoo gegroeid dat de haas er om heen moest loopen. O, groeien, groeien! groot en oud worden! dat was toch het eenige ware geluk, meende het boompje.

In het najaar kwamen altijd de houthakkers en velden eenige van de grootste boomen; dat gebeurde ieder jaar, en de jonge spar, die nu geheel volwassen was, zag het met angst aan; want de groote, prachtige boomen vielen met gekraak op den grond; de takken werden er afgehouwen, ze zagen er naakt en lang en smal uit; ze waren haast niet te herkennen. En dan werden ze op wagens gelegd en de paarden trokken ze voort, uit het bosch weg.
Waar zouden ze heengaan? Wat stond hen te wachten?

In het voorjaar, als de zwaluwen en de ooievaars kwamen, dan vroeg het boompje: ‘Weet je niet waar ze heengebracht zijn? Heb je ze nergens gezien?’
De zwaluwen wisten er niets van, maar de ooievaar keek bedenkelijk, knikte met zijn kop en zei: ‘Ja, ja, ik geloof het wel: ik ben een heeleboel nieuwe schepen tegen gekomen op mijn weg van Egypte; er waren prachtige masten op die schepen: het waren zeker de boomen wel, ze roken naar hars; ik moet je groeten van ze. O, wat zijn ze trotsch!’
‘Was ik toch maar groot genoeg om ook zoo over de zee te gaan! Wat is toch eigenlijk de zee; hoe ziet ze er uit?’
‘Ja, dat is zoo moeielijk uit te leggen,’ zei de ooievaar en toen ging hij weg.
‘Verheug je in je jeugd!’ zeiden de zonnestralen, ‘en in je groei en in je frissche, jonge leven!’
En de wind kuste het boompje, en de dauw weende over hem, maar dat begreep hij niet.

Als het tegen Kerstmis was, werden altijd heel jonge boomen geveld, soms waren ze niet eens zoo groot of zoo oud nog als het jonge sparretje, dat altijd zoo onrustig was en altijd weg wou. Die jonge boomen mochten hun takken houden; het waren ook altijd de allermooisten; ze werden op wagens gelegd en de paarden trokken ze weg uit het bosch.
‘Waar gaan ze toch heen?’ zei de spar, ‘ze zijn niet grooter dan ik, er was er een bij, die veel kleiner was; en waarom houden ze al hun takken, o, waar rijden ze toch naar toe?’
‘Dat weten wij! dat weten wij!’ sjilpten de muschjes. ‘Wij hebben in de stad door de ruiten gekeken! Wij weten waar ze naar toe gaan! O, ze komen tot de grootste pracht en heerlijkheid, die je maar denken kunt!
We hebben door de ramen gekeken en we hebben gezien, dat ze geplant werden midden in de warme kamer; en ze werden versierd met de heerlijkste dingen: vergulde appelen, koekjes, speelgoed en honderden lichtjes.
‘En dan -?’ vroeg de spar en al zijn takken beefden. ‘En dan? Wat gebeurt er dan?’
‘Ja, meer hebben wij niet gezien, maar het was prachtig!’
‘Misschien zal het mij wel zoo gaan!’ jubelde het boompje, ‘misschien heb ik daarom moeten wachten! Dat is nog beter dan over de zee te gaan. O, hoe verlang ik, hoe verlang ik! Was het toch maar Kerstmis! Ik ben nu hoog genoeg en strek mijn takken ver uit, zooals de anderen, die verleden jaar weggingen. O, was ik maar op dien wagen! was ik toch in die warme kamer, met al die pracht en heerlijkheid! en dan – ja, dan wordt het zeker nóg beter, nóg mooier, waarom zouden zij mij anders zoo versieren? Dan komt er zeker iets nóg mooiers, nóg heerlijkers! Maar wat? wat? O, ik verlang, ik verlang! Ik weet zelf niet meer wat ik voel!’
‘Wees blij, wees gelukkig!’ zeiden de lucht en de zonnestralen, ‘verheug je toch in je jonge leven en in de heerlijke buitenlucht!’
Maar dat deed het in ’t geheel niet; het groeide en groeide; het was groen, winter en zomer, mooi donkergroen; en de menschen, die er voorbijkwamen zeiden: ‘Wat is dát een mooie boom!’

En toen Kerstmis kwam werd hij het eerst van allen geveld. Diep ging de bijl door het merg; de boom viel met een zucht neer op den grond; hij voelde een pijn en een smart, hij kon heelemaal niet aan geluk denken: hij was bedroefd, dat hij weg zou moeten van zijn thuis, van de plek waar hij was opgeschoten en opgegroeid; hij wist dat hij nooit zijn oude kameraads meer zou terugzien en de lieve boschjes en bloemen om hem heen, ja, misschien niet eens de vogels. En het weggaan was ook niet prettig.
Hij werd pas zichzelf weer, toen hij werd uitgepakt met de andere boomen en een man hoorde zeggen: ‘Die is prachtig! wij hebben geen andere meer noodig!’
Toen kwamen er twee lakeien in volle statie en droegen de spar in een groote, mooie zaal. De muren waren met groote familieportretten behangen en bij de porceleinen kachel stonden Chineesche vazen met leeuwen op de deksels. Er waren schommelstoelen, met zijde, bekleede sofa’s en groote tafels vol boeken en speelgoed, voor wel honderdmaal honderd rijksdaalders – ten minste dat zeiden de kinderen. En de spar werd geplant in een groot vat met zand; maar niemand kon zien, dat het een vat was, want het werd met groen doek behangen en het stond op een mooi Smyrnaasch tapijt. De boom trilde: Wat zou er wel gebeuren! Dames en bedienden begonnen hem toen te versieren. Aan de takken hingen ze kleine netjes, die geknipt waren van gekleurd papier; ze waren allemaal gevuld met suikergoed: Vergulde appelen en noten hingen alsof zij er aan gegroeid waren, en meer dan honderd gekleurde lichtjes werden in de takken vastgezet, roode, witte en blauwe. Poppen die er als echte menschen uitzagen en zooals de boom ze nog nooit gezien had, zweefden in het groen, en boven, heel boven in den top werd een ster gezet van klatergoud. Het was alles wonderbaar prachtig.
‘Van avond,’ zeiden ze allemaal, ‘van avond, dan zal hij schitteren!’
‘O,’ dacht de boom, ‘was het toch maar avond! werden de lichtjes toch maar aangestoken! En wat zou er dan gebeuren? Zouden dan de boomen uit het bosch komen om mij te zien? Zouden de musschen tegen de ramen vliegen? Zou ik hier misschien vastgroeien en winter en zomer zoo versierd blijven staan?’
Hij kreeg eindelijk schorspijn, van verlangen, en schorspijn voor een boom is net zoo erg als hoofdpijn voor ons.
Nu werden de lichtjes opgestoken. O, wat een glans, wat een pracht! De boom beefde er van in al zijn takken, en daardoor kwam er brand, want een van de lichtjes raakte het groen.
‘Lieve hemel!’ riepen de dames en ze bluschten het gauw.

Nu durfde de boom niet eens meer beven; dat was verschrikkelijk! Hij was zoo bang om maar iets van al zijn pracht te verliezen; hij was verblind door zijn eigen glans. – Daar gingen de beide vleugeldeuren open, en een menigte kinderen kwam binnenstroomen alsof zij den boom wilden omverloopen; de groote menschen kwamen bedaard achteraan. De kinderen waren één oogenblik heelemaal stil, maar niet langer dan één oogenblik, toen jubelden ze weer, dat de zaal er van galmde; ze dansten om den boom en het eene geschenk na het andere werd er afgetrokken.
‘Wat doen ze nu?’ dacht de boom: ‘wat zal er gebeuren?’ De kaarsjes brandden op tot bijna aan de takken, toen werden ze allemaal uitgedoofd en de kinderen kregen verlof den boom te plunderen. O, wat vielen ze er op aan! het kraakte in al de takken; en als hij niet met de gouden ster aan de zoldering was vastgemaakt geweest, zou hij zeker omgevallen zijn.
De kinderen dansten rond met al hun prachtig speelgoed. Niemand lette op den boom behalve de oude kindermeid, die heel oplettend naar de takken keek; maar dat was alléén om te zien of er soms nog een vijg of een appel vergeten was.
‘Een verhaaltje, een verhaaltje!’ riepen de kinderen, en ze trokken een kleinen, dikken man naar den boom toe; hij ging er dadelijk onder zitten. ‘Want,’ zei hij, ‘dan zitten wij in het groen; en voor den boom is het misschien ook wel eens goed mee te luisteren: Maar ik vertel maar één verhaaltje. Wat moet het zijn: ‘Ivede Avede, of Klompe Dompe die van de trap viel en toch op den troon kwam en de Prinses kreeg?’
‘Ivede Avede!’ schreeuwden sommigen.
‘Klompe Dompe!’ riepen anderen: ’t was een geraas en getier om je ooren dicht te houden; alléén de spar stond heel stil en dacht bij zichzelf:
‘zou ik nu niet mee mogen doen? heb ik niets meer te zeggen?’ Maar hij hád meegedaan en gezegd wat hij te zeggen had.

De man vertelde van ‘Klompe Dompe, die van de trappen viel en toch op den troon kwam en de prinses kreeg.’ En de kinderen klapten in de handen en riepen: ‘Vertellen! vertellen!’ want ze wilden ook ‘Ivede Avede’ hebben en ze hadden alleen maar ‘Klompe Dompe’ gehad. Desparstond stil en in gedachten. Zoo iets hadden de vogels in het bosch nog nooit verteld. ‘Klompe Dompe viel van de trap en trouwde toch met de prinses!’ Ja, ja, zoo gaat het in de wereld toe! En hij dacht dat het allemaal waar gebeurd was omdat het zoo’n deftig heer was, die het verteld had. ‘Wie zal ’t zeggen, misschien val ik ook nog eens van de trap en trouw een prinses!’ En hij verheugde zich op den volgenden dag, dan zou hij wel weer opgesierd worden met lichten en speelgoed, goud en vruchten. ‘Morgen zal ik niet beven!’ dacht hij. ‘Ik zal mij alleen maar recht verheugen in al mijn glans en heerlijkheid. En morgen zal ik ook weer hooren van Klompe Dompe, en mogelijk ook wel van Ivede Avede. En de boom stond stil en in gedachten den heelen nacht.

’s Morgens kwamen de knecht en de meid binnen.
‘Nu begint de pracht weer!’ dacht de boom, maar zij sleepten hem uit de kamer en de trappen op naar den zolder, en daar zetten zij hem in een donkeren hoek waar nooit de zon scheen. ‘Wat zou dat beduiden?’ dacht hij, ‘wat moet ik hier nu doen? Wat zou ik hier nu weer te zien en te hooren krijgen?’ En hij heesch zich op tegen den muur tot hij recht stond en dacht en dacht! – En hij had er al den tijd voor, want dagen en nachten gingen voorbij, en er kwam niemand boven. En toen er eindelijk iemand kwam was het alleen maar om een paar zware kisten te bergen.
De boom stond heelemaal verstopt, men zou denken, dat hij glad vergeten was.
‘Nu is het winter buiten!’ dacht hij: ‘De grond is hard en met sneeuw bedekt; ze kunnen mij nu niet planten; daarom moet ik hier zeker bewaard worden tot het voorjaar.
‘Wat is dat goed bedacht! Wat zijn de menschen toch zorgzaam! – Was ’t hier nu maar niet zoo donker en zoo akelig eenzaam! – Niet eens een klein haasje! Dat was toch zoo gezellig buiten in het bosch als er sneeuw lag en er sprong een haas voorbij. Zelfs al sprong hij over mij heen; maar dat vond ik toen niet prettig. Hierboven is het toch verschrikkelijk eenzaam!’
‘Piep, piep,’ kwam het uit een hoek en er sloop een muisje voor den dag en toen kwam er nog eentje. Ze snuffelden om den boom en kropen tusschen de takken door.
‘Het is gruwelijk koud!’ zeiden de muisjes; ‘anders is ’t hier wel een heerlijk verblijf! Niet waar, ouwe spar?’
‘Ik ben in ’t geheel niet oud!’ zei de spar, ‘er zijn er een heele boel, die veel ouder zijn dan ik!’
‘Waar kom je vandaan?’ vroegen de muisjes, ‘en wat weet je te vertellen?’ Ze waren verbazend nieuwsgierig. ‘Vertel ons toch eens van die allerheerlijkste plaats van de wereld! Ben je dáár geweest? Ben je in de provisiekamer geweest, waar kazen op de planken liggen en hammen aan de zoldering hangen? Waar je danst op de kaarsen, en waar je mager ingaat en vet uitkomt.’
‘Daar weet ik niets van,’ zei de boom, ‘maar het bosch ken ik, waar de zon schijnt en de vogels zingen!’ en toen vertelde hij alles van zijn jeugd en de muisjes hadden nog nooit van zulke dingen gehoord, en ze luisterden heel aandachtig en zeiden:
‘O, wat heb je veel gezien! Wat ben je gelukkig geweest!’
‘Ik?’ zei de spar, en hij dacht er nog eens goed over na wat hij zelf verteld had; ‘ja, ’t was eigenlijk een heel prettige tijd!’ en toen vertelde hij van den Kerstavond, toen hij zoo mooi gemaakt was met kaarsjes en lekkers.
‘O,’ zeiden de muisjes, ‘wat bén je toch gelukkig geweest, ouwe spar!’
‘Ik ben zoo oud niet!’ zei de boom, ‘ik ben pas in dezen winter uit het bosch gekomen; ik ben in de kracht van mijn leven.’
‘Wat kun je toch mooi vertellen!’ zeiden de muisjes, en den volgenden nacht brachten zij vier andere muisjes mee, die den boom ook moesten hooren vertellen, en hoe meer hij vertelde, hoe beter hij het zich alles herinnerde en hij dacht: ‘het was toch een erg prettige tijd! maar het kan wel weer terug komen! Klompe Dompe viel van de trappen en kreeg toch een prinses; misschien krijg ik ook wel een prinses.’ En toen dacht de spar aan een klein allerliefst berkeboompje, dat in het bosch groeide, dat was voor hem zoo goed als een echte prinses.
‘Wie is Klompe Dompe?’ vroegen de muisjes. En toen vertelde de spar het heele sprookje, want hij herinnerde zich nog ieder woord er van en de muisjes hadden wel tot in den top van den boom willen springen zoo mooi vonden ze het. Den volgenden nacht kwamen er nog een heeleboel muizen bij en ’s Zondags zelfs twee ratten; maar die zeiden dat het heele verhaal eigenlijk niets waard was, en dat was jammer voor de muisjes, want die vonden er nu ook zooveel niet meer aan.
‘Ken je niets meer dan dat ééne sprookje?’ vroegen de ratten.
‘Neen, dát maar alleen: dat heb ik gehoord op mijn gelukkigsten avond, maar toen wist ik zelf niet hoe gelukkig ik was!’
‘’t Is een zeldzaam onnoozel verhaaltje! Ken je er geen met spek en vet en kaarsen er in, geen provisiekamer sprookjes?’
‘Neen!’ zei de boom.
‘Nu, dan gaan wij maar weg!’ zeiden de ratten en ze maakten rechtsomkeert.
De muisjes bleven eindelijk ook weg en toen zuchtte de boom: ‘Wat was het toch gezellig toen al die aardige muisjes om mij heen zaten te luisteren als ik vertelde! Nu is dat ook weer voorbij! – Maar ik zal wel oppassen, dat ik pleizier heb als ik hier weer van daan kom!’
Maar wanneer gebeurde dat! – Ja, dat was op een vroegen morgen, toen kwamen er menschen op zolder rommelen. De kisten werden verschoven en de boom werd uit zijn hoek gehaald; ze gooiden hem wel wat hard tegen den vloer, maar heel gauw daarna kwam er een knecht en sleepte hem naar de trap toe waar het wat lichter was.
‘Nu begint het leven weer!’ dacht de boom; hij voelde weer de frissche lucht, den eersten zonnestraal, en zoo kwam hij buiten op de plaats. Alles ging zoo gauw; hij vergat heelemaal op zichzelf te letten zóó veel was er om hem heen te zien. Aan het eind van de plaats was een tuin, en daar stond alles in bloei. Over het hekje hingen rozen, frisch en geurig, de linden bloeiden en de zwaluwen vlogen rond en zongen: ‘widewidewiet mijn man zal komen!’ maar den sparreboom meenden ze niet.
‘Nu zal ik leven!’ jubelde hij en hij spreidde zijn takken wijd uit: maar ze waren allemaal geel en verwelkt. Hij lag in een hoek tusschen onkruid en brandnetels. De gouden ster zat nog in den top en schitterde in de zon.
In den tuin speelden een paar vroolijke kinderen; ze hadden met Kerstmis om den boom gedanst. Een van de kleinsten liep er heen en trok de ster er af.
‘Kijk eens wat er nog aan dien leelijken ouden Kerstboom zit!’ zei hij, en hij trapte op de takken, dat zij onder zijn schoenen kraakten.

En de boom keek naar al de frissche kleurige bloemen in den tuin, en hij keek ook naar zich zelf en hij wenschte, dat hij maar in zijn donkeren hoek op zolder gebleven was; hij dacht aan zijn jeugd in ’t bosch, aan den vroolijken Kerstavond en aan de kleine muisjes, die zoo aandachtig geluisterd hadden naar de historie van Klompe Dompe.
‘Voorbij, voorbij!’ zuchtte de arme boom: ‘had ik toch maar mijn geluk gevoeld toen het tijd was! Voorbij, voorbij!’
Toen kwam er een knecht en hakte den boom in kleine blokjes. Er lag een heele stapel. Mooi vlamden ze op, onder den grooten brouwketel; en ze zuchtten, iedere zucht was als een schot; daarom kwamen de kinderen, die buiten speelden, binnenloopen, en gingen in het vuur zitten kijken en riepen: ‘pief, paf!’ Maar bij iederen knal, die eigenlijk een diepe zucht was, dacht de boom aan een zomerdag in ’t bosch, en aan een winternacht daar buiten als de sterren lichtten, hij dacht ook aan den Kerstavond en aan Klompe Dompe, het eenige sprookje, dat hij ooit gehoord had en vertellen kon – en toen was hij opgebrand.
De jongens speelden in den tuin en de jongste had de ster van goudpapier op zijn borst, die de boom op zijn mooisten avond gedragen had. Nu was dat uit, en de boom was uit, en de geschiedenis is ook uit: Uit, uit uit! zoo gaat het met alle geschiedenissen.